1.
Valentijnsdag
2. Pasen
3. Sint Maarten
4. Halloween
5. Sint Niklaas
6. Kerstmis
7. Driekoningen
8. Maria-Lichtmis
1. Valentijnsdag en zijn geschiedenis.
Hoeveel jaar is het al geleden dat de pijl van Cupido u raakte?
Vijftig jaar, twintig
jaar, tien jaar, één jaar?
Hoe dan ook, vergeet niet dat het feest van de verliefden al
heel wat jaren bestaat. Natuurlijk heeft dit feest een evolutie
meegemaakt, maar Valentijnsdag blijft vandaag een speciale
gelegenheid om onze liefde te betuigen aan de persoon die een
belangrijke plaats in ons hart heeft ingenomen, maar ook aan
onze vrienden en aan onze ouders.
Als vandaag het feest van Valentijnsdag synoniem is van vreugde
en liefde, mag men echter niet vergeten dat de arme
Sint-Valentijn zijn leven heeft gegeven voor de verdediging van
de rechten van de mensen die van elkaar houden.
In feite was Valentinus
een christelijk priester op wie de Romeinse keizer Claudius II
zijn woede uitwerkte. Valentinus had immers in het geheim
huwelijken van soldaten ingezegend. De keizer verbood deze
huwelijken omdat hij van oordeel was dat het beroep van soldaat
niet verenigbaar was met het huwelijk. Claudius maakte hieraan
op bloedige wijze een einde. Zo werd Valentijn op een 14de
februari (tussen 268 en 273 na Christus) na opsluiting in de
gevangenis onthoofd. Terwijl hij wachtte op zijn vonnis maakte
hij kennis met de blinde dochter van de gevangenisbewaker.
Er ontstond vriendschap tussen haar en Valentijn die haar
opnieuw deed zien. En net voor hij werd gemarteld, bood hij het
meisje bladeren aan in de vorm van een hart en getekend met de
woorden 'vanwege uw Valentijn'. Om zijn opoffering voor de
liefde te belonen werd Valentijn heilig verklaard.
Twee eeuwen na zijn dood bestonden er in het Europese Christendom nog steeds bepaalde heidense gebruiken, waaronder het feest ter ere van Lupercus (synoniem voor uitgelaten feesten) dat plaatsvond op 15 februari, als herinnering aan de Romeinse periode. Dit feest was de gelegenheid bij uitstek om vruchtbaarheidsrituelen te vieren. Om dit feest niet te vergeten, werd deze praktijk dankzij de tussenkomst van de paus door de Christelijke Kerk erkend. Ook werd het feest geassocieerd met Sint-Valentijn, die hierdoor de beschermer van de verliefde paren werd genoemd. Pas in 1496 werd Sint-Valentijn op bevel van Paus Alexander VI officieel de heilige patroon van de verliefden.
Tot op vandaag maken verliefde paren van dit feest gebruik om lieve woordjes uit te wisselen of geschenken te geven als teken van hun liefde, zoals bloemen of chocolade die nog steeds synoniem zijn van passie.
Vanwaar komt Pasen ?Begin van
alle leven.
Het ei is van oude tijden af symbool en begin van alle leven.
Het is dan ook niet zo vreemd dat het onder vrijwel alle volken
en in alle landen gezien wordt als vruchtbaarheidsattribuut en
dat het als zodanig verbonden is aan het feest van de lente.
In veel oude verhalen staat het ei aan de wieg van een nieuwe
wereld. In India ontstonden zelfs hemel en aarde uit de schalen
van een ei. En in een Japans scheppingsverhaal waren hemel en
aarde in het oerbegin nog niet van elkaar gescheiden, evenmin
als de dooier en het eiwit. Volgens deze mythe ontstond uit het
lichte (eiwit) de hemel en uit het zware eierdeel (dooier) de
aarde.
Hoewel eieren een oorspronkelijk heidens symbool zijn en met het
christendom niets te maken hebben, werd het ei in de vierde eeuw
na Christus voorzichtig opgenomen in de christelijke leer : men
zag er het witgepleisterde graf in waaruit het leven oprijst. In
de twaalfde eeuw werd het gebruik van eieren opgenomen in het "Benedictio
ovorum".
Magische werking
Presbyteriaanse Schotten moesten geen eieren omdat ze het
symbool van pauselijke verafgoding zouden zijn. Op andere
plaatsen vormden eieren juist een gezegende spijs : ze werden na
de strenge vastenweken in de kerk opgedragen. Dankzij deze
kerkelijke wijding werd hun magische kracht nog versterkt. Zo
werd het ei haast een amulet met een bijzondere werking.
Zo zijn vele paasgebruiken ontstaan : eierophalen, eiertikken,
eierspelen, eierzoeken en het massaal eten van eieren in
allerlei vormen van brood en gebak, van koek en cake (laatste
met name in Amerika en Engeland), van marsepein, nougat, suiker
en natuurlijk van chocolade. In het paasbrood, waarin nog iets
zit van het joodse paasbrood, schuilen resten van een oude
offermaaltijd.
Bakkers en banketbakkers van deze tijd volgen de aloude
gebruiken. Ze bakken paasbrood, eiergebak, schuimeieren en
eierkoeken. Chocolatiers gieten hun chocolade-eieren,
suikerbakkers vormen marsepein- en nougat-eieren in vele
variaties en versieringen en in ontelbare hoeveelheden.
De Paashaas
Op dit punt is Nederland een mondiaal buitenbeentje. Overal ter
wereld heeft men het over paaskonijnen. Alleen de Hollanders
gebruiken zo nadrukkelijk een haas. Ach, ze zijn familie van
elkaar, nietwaar?
Toen in lang vervlogen
tijden konijnen zonder verklaring verschenen en verdwenen, was
de vergelijking met post wederopstandingsverschijningen van
Christus heel voor de hand liggend. De eerste historische
vermelding van het Paaskonijn komt uit Duitsland. In geschriften
uit de 16e eeuw spreekt men reeks over een konijn dat op goede
vrijdag rode eieren legt en de nacht voor 1e paasdag bonte
eieren.
Andere symbolen
Hoewel de paashaas de onbetwiste koning van de paassymbolen is,
zijn er toch nog een paar andere beminnelijke pluizigheden. Zo
heb je al sinds het ei het bijbehorende kuiken. Ook het lammetje
is al eeuwen lang een populaire verschijning rond Pasen. Vooral
de combinaties lammetje + kijken + wandeling en lammetje + oven
vallen erg in de smaak. Minder bekend is de vlinder. De
transformatie van rups naar vlinder vertoonde voor de Christenen
sterke gelijkenis met de wederopstanding van Jezus uit de Tombe.
Ook de lelie maakt deel uit van Pasen. De tere, puur witte bloem
is vooral in oude Christelijke kunstwerken terug te vinden.
Pasen en eten
Zoals u heeft kunnen lezen, komen lammetjes er niet altijd even
goed vanaf. Gelukkig voor hen zijn paasbroden, koekjes en cakes
altijd al favoriet geweest. Van de randen van de nieuwe wereld
tot diep in het hart van Rusland is paasbrood met afstand de
nummer één. De Russen eten "paska", de Duitsers 'osterstollen',
de Polen 'baba wielancona'
Het vieren van Pasen
Voor de oude Christenen stond Pasen in het teken van humor. Een
week lang vertelde men grappen, haalde men geintjes met elkaar
uit, werden lammeren in grote getale geroosterd en zongen en
dansten de mensen tot diep in de nacht. Het was een viering van
het feit dat de Duivel en het kwaad door Christus op hun nummer
waren gezet.
Op Paasmaandag zouden de mannen de vrouwen wekken met een paar
druppeltjes geparfumeerd water, vergezeld van de tekst "moge jij
nimmer verwelken". De volgende dag zouden de vrouwen de mannen
ook wekken met geparfumeerd water. Subtiel verschil: de vrouwen
mochten de inhoud van een emmer over hun eega legen.
Tegenwoordig is er een enorme diversiteit in paasvieringen. Per
land en vaak ook per religie zijn er vele verschillen.
Aanhangers van de Oosterse Orthodoxe kerk vieren 1e paasdag
haast nog even uitbundig als hun voorvaderen. De Lutherse kerk
in Zweden en Noorwegen daarentegen, heeft zich nogal moeten
aanpassen aan bepaalde moderne gebruiken van het volk.
Met Pasen gaat namelijk een groot deel van de mensen op vakantie
naar de bergen. Origineel als ze zijn, heeft de Lutherse kerk
ter plekke enkele bergkerken gebouwd.
Waarom brengen de klokken eieren ?
Dat de klokken eieren zouden brengen, heeft te maken met de
afwezigheid van klokken gelui vanaf witte donderdag. Pas op
paaszondag mochten de klokken opnieuw geluid worden. Er werd
verteld dat de klokken in tussentijd naar Rome vertrokken waren
en eieren meebrachten.
Waarom valt Pasen elk jaar op een andere dag?
Pasen is elk jaar een beetje anders : het valt ten vroegste op
22 maart en ten laatste op 25 april. Want christenen berekenen
de datum aan de hand van het maanjaar, en niet het zonnejaar
waarop de tijdrekening vandaag gebaseerd is. Niet de stand van
de zon, maar het komen en gaan van de volle maan is het
referentiepunt. Pasen valt altijd op de eerste zondag na de
eerste volle maan van de lente, bepaalden de christenen op het
concilie van Nicea in 325. De christenen legden Pasen toch vast
op een zondag om het onderscheid te maken met de joodse religie.
Op het tweede Vaticaanse concilie in de jaren 60 was er sprake
van een vastere datum voor Pasen, die zo dicht mogelijk bij de
historische dood van Jezus zou liggen, rond 10 april. Paaszondag
zou dan elk jaar na de tweede zaterdag van april gevierd worden.
Maar het is bij een voorstel gebleven : katholieken,
protestanten en orthodoxen konden het niet eens worden over een
nieuwe regeling.
Wat herdenken Christenen eigenlijk met Pasen?
Pasen is voor christenen de belangrijkste dag van het jaar. Met
Kerstmis wordt de geboorte van Christus gevierd, maar Pasen, de
dag waarop de man die christenen beschouwen als de zoon van God,
verrijst, is een ouder feest. Kerstmis werd aanvankelijk niet
gevierd. Pasen wel. Eigenlijk is paaszondag het hoogtepunt van
een hele week, waarin Jezus na een laatste avondmaal met zijn
leerlingen wordt verraden en ter dood veroordeeld. Op zaterdag
sterft hij aan het kruis, op zondag is de steen voor zijn
rotsgraf weggerold en is zijn lijk verdwenen : Jezus is niet
dood, maar verrezen.
Voor hij 40 dagen later, op Hemelvaart, door God in de hemel
wordt opgenomen, verschijnt hij nog enkele keren aan zijn
leerlingen.
Waar komt de naam Pasen vandaan, en waarom hebben ze het in
het Engels over "Easter" en in het Duits over "Östern"?
De naam Pasen is overgenomen van het joodse feest Pesach,
waarbij een lam geslacht werd om de bevrijding van het joodse
volk uit Egypte te vieren. Jezus en zijn leerlingen waren van
joodse afkomst en de verrijzenis van Jezus gebeurt enkele dagen
na Pesach. Christenen beschouwden Jezus ook als het paaslam dat
geofferd werd om verlossing te brengen.
Elk jaar een paaslam slachten, zoals islamieten en joden vandaag
nog doen, raakte in het christendom na verloop van tijd in
onbruik : Jezus had zichzelf geofferd, waarom zou je dan nog een
lam moeten slachten? Hoewel sommige nieuwe katholieke groepen
opnieuw de traditie opnemen.
Over de Engelse en Duitse oorsprong van de benaming bestaat er
meer discussie. Ostara, godin van de vruchtbaarheid en de lente
bij de Germanen, zou aan de grondslag liggen van deze benaming.
Historisch onderzoek wijst uit dat Ostara eigenlijk niet vereerd
werd bij de Germanen, maar pas in de achtste eeuw vermeld wordt
in de literatuur. De andere verklaringen zijn taalkundig.
Urständ, het Hoogduitse woord voor opstanding, zou aan de basis
van Easter kunnen liggen. Maar de naam zou ook kunnen teruggaan
naar een verkeerde vertaling van de Latijnse frase hebdomenica
in albis, de week in witte gewaden die na paaszondag volgde. Men
dacht toen dat albis dageraad, en niet wit betekende. Het
Hoogduitse woord voor dageraad is eostarun, naar het oosten waar
de zon opkomt. De Engelse variant werd dan Easter, de Duitse
Östern.
De Paashaas
Waarom een haas eieren kan leggen
Het zoeken van paaseieren gaat terug op een oud vruchtbaarheidsverhaal. De Germaanse godin Freya had een lievelingsdier : een haas die in een vorig leven geen wild, maar gevogelte was geweest. Om die reden kon de haas dus eieren leggen. Bij het begin van het nieuwe jaar (de lente) liet Freya het dier dan ook eieren verstoppen op de akkers om de boeren een goede oogst te verzekeren.
Het ei betekent nieuw leven
Toch is er meer aan de hand met de verhalen rond het ei in het voorjaar. Het ei heeft door de eeuwen heen in bijna alle culturen een symbolische betekenis gehad.
Er is het mythologische verhaal over Kronos, de zoon van de god van de hemel en de godin van de aarde : Uranos en Gaia. Hij zou een ei hebben geschapen waaruit de veelkoppige god Phanes kwam, die de aarde verder vorm gaf. Tijdens de viering van het Joodse paasfeest, Pesach, wordt de uittocht uit Egypte herdacht. De eerste twee avonden van het Joodse paasfeest, dat overigens acht dagen duurt, zijn de zogenaamde seider- of sederavonden. Dan wordt een speciale schotel, de sederschotel, naast onder andere matses (ongerezen brood), bittere kruiden, peterselie en mierikswortel ook een gebraden ei gelegd.
Het gebraden ei is hier een teken van rouw om de niet meer bestaande tempel van koning Salomon. Het gold als symbool voor een hele maaltijd als herinnering aan het tweede feestoffer dat vroeger bij de tempel werd gehouden.
Een tip :
Hoe ouder een ei is, des
Om na te gaan of een ei vers is of niet, volstaat het het ei in
een kom vol water te leggen. Een vers ei blijft op de bodem
liggen, een ei van 3 tot 4 weken oud gaat "staan", een ei van 6
weken gaat "hangen" en als een ei gaat drijven is het aan te
raden het maar niet te eten.
3. Sint Maarten - Martinus van Tours
De levensgeschiedenis van Sint Martinus.
Martinus werd geboren in Sabaria, Hongarije, in het jaar 316, het huidige Szombathely (Hongaars) Steinamanger (Duits) in West-Hongarije aan de grenzen van het Romeinse Rijk. Zijn vader werd een magistraat in dienst van het Romeinse leger. Het gezin verhuisde naar Pavia in Italië waar hij zijn jeugd zou doorbrengen. De legenden vertellen dat hij zich als jongen van 12 jaar liet opnemen in de kerk als catechumeen (doopleerling), tegen de wil van zijn ouders in (de legende maakt hier hoogstwaarschijnlijk een onhistorische verbinding met het evangelieverhaal over de twaalfjarige Jezus).
Op 15-jarige leeftijd nam hij dienst in het Romeinse leger onder de keizers Constantinus en Julianus en werd geplaatst bij de ruiterij in Gallië (Frankrijk). In deze periode speelt het beroemde verhaal dat hij bij de stadspoort van Amiens een naakte bedelaar ontmoette die hem om Christus' wil een aalmoes vroeg. Omdat hij niets dan zijn wapen had, gaf hij hem een stuk van zijn soldatenmantel door die met zijn zwaard in tweeën te snijden. In die tijd behoorde een helft van de kleding aan de keizer en de andere helft was persoonlijk bezit.
In een droom verscheen Christus hem later met de helft van zijn mantel om zich heen geslagen : "wat je voor de geringste van mijn broeders hebt gedaan, dat heb je voor mij gedaan". Dit gaf voor hem de doorslag om Christen te worden en zich te laten dopen. Hij werd gedoopt door de bisschop Hilarius van Poitiers. Hij geraakte tijdens die legerperiode steeds meer in een innerlijk conflict tussen zijn als soldaat dienstbaar zijn aan de Romeinse keizer of aan zijn christelijke roeping. Hij neemt nabij Worms ontslag uit het leger.
Op 18-jarige leeftijd werd hij gedoopt (andere bronnen vermelden 22 jaar) en later ook in de geestelijke stand opgenomen. Zijn eerste arbeid als priester verrichtte hij in de streek waar zijn ouders leefden in Lombardije, waar hij het christelijke geloof verkondigde. Er ontstonden problemen tussen hem en de Arianen, een christelijke stroming, die de menselijkheid van Jezus van Nazareth beklemtoonden en de goddelijke afkomst van Christus niet accepteerden en die daar veel aanhang hadden. Maarten hield vast aan zijn geloof en werd slecht behandeld op last van de Ariaanse bisschop van Milaan. Hij hield zich daarna schuil als kluizenaar op het eiland Gallinaria (nu Isola d'Albenga) voor de Italiaanse Rivièra.
In 361 kon hij terugkeren naar Frankrijk en voegde zich bij de Hilarius van Poitiers. Ook daar werd hij een kluizenaar, wonend in een afgelegen gebied, en hij wijdde zijn hele leven aan God. Hij kreeg veel volgelingen, zodat hier in 361 het eerste klooster op Franse bodem ontstond. Toen St. Lidorius de bisschop van Tours, een stad in West-Frankrijk, in 371 of 372 overleed, vroegen de christenen en priester van die stad aan Maarten of hij bisschop wilde worden. Deze wilde eigenlijk gewoon kluizenaar blijven.
De legenden vertellen dat
Martinus via een list naar de stad werd gelokt en toen hij
eenmaal in Tours was aangekomen, kon hij niet meer afzien van
het bisschopsambt.
In 371 werd Martinus door het volk tot bisschop van Tours
gekozen. Hij bleef zijn monnikenleven voortzetten, stichtte
omstreeks 375 in Tours een klooster en werkte samen met zijn
kloosterlingen aan de verkondiging van het christendom in
Frankrijk.
Als bisschop bleef hij zijn monnikenleven voortzetten en trad op als een grote geloofsverkondiger. Hij stichtte ook veel kloosters, waarvan dat van Marmoutier het belangrijkste was. Hij vernietigde de heidense heiligdommen en preekte onophoudelijk tegen de ketterijen van die dagen.
Hij werd al tijdens zijn
leven als heilig beschouwd en veel wonderen werden aan hem
toegeschreven.
Tijdens een missiereis sterft hij in Candes, op 8 november 397,
hij was toen 81 jaar oud. Op elf november werd hij in Tours
begraven, zijn latere feestdag. Ook al was hij niet de
marteldood gestorven, zoals veel van zijn heilige voorgangers,
werd hij toch onmiddellijk door het hele volk als een grote
heilige vereerd.
Rond zijn graf gebeurden vele wonderen en een eeuw later roept
koning
Clovis hem uit tot patroon van het Frankische volk. In Frankrijk
zijn duizenden kerken aan hem gewijd, waaronder de St. Martinus
basiliek in Tours.
Zijn roem verspreidt zich ook naar het noorden. Met name de Lage
landen (Vlaanderen en Nederland) en een deel van Duitsland die
tot het toenmalige Frankische rijk behoorden. In Vlaanderen zijn
er talloze Sint-Martinus parochies over het hele land verspreid.
Bij uitstek natuurlijk in de dorpen die naar Martinus (ook wel
Maarten genoemd), hun naam kregen zoals Sint-Martens-Bodegem,
Sint-Martens-Latem, Sint-Martens-Leerne, Sint-Martens-Lennik,
Sint-Martens-Voeren.
Sint Martinus ligt ook aan de oorsprong van het woord kapel.
Een kapmantel heet
inderdaad in het Latijn "cappa" en het verkleinwoord daarvan
(het ging immers over slechts een stuk van de cape) heet in het
Middellatijn "cappella". Zo noemde men gaandeweg eveneens het
gebouwtje waarin die relikwie werd opgeborgen. In de zevende
eeuw heette ieder bedehuisje dat geen parochiekerk was, een "capella".
Dat woord ging naar haast alle moderne talen : "kapel" (Ndl), "Kapelle"
(D), "chapel" (E), "cappella" (It), "capilla" (Sp), "chapelle"
(Fr).
Denk aan de Franse benaming van Aken, de residentie van Karel de
Grote : Aix-la-"Chapelle". Hier betekent "chapelle" niet meer :
een kleine kerk, maar de dom, die aan Maria is toegewijd, en
niet aan Martinus, zoals men verkeerdelijk zou kunnen afleiden
uit de oorsprong van het woord "kapel".
In de zestiende eeuw ontstond de gewoonte dat een vorst bij religieuze feestelijkheden in zijn slot "kappel"-zangers en musici liet optreden: ook zij kregen de naam "kapel". Later namen de musici het woord mee naar de profane buiten : denk aan "kapelmeester".
4. De oorsprong van Halloween.
De Kelten vierden op de vooravond van 1 november de voorloper van Halloween, Sawhain.Halloween ontstond ergens tussen 500 en 1000 jaar vóór Christus en wordt verondersteld het Keltisch "Nieuwjaar" te zijn. Voor dit volk was 1 november Sawhain (uitgesproken : Saw-En) en betekende dit "het einde van de zomer".
Deze dag was een speciale dag tussen het oude en het nieuwe jaar. De doden werden verondersteld opnieuw op de aarde te kunnen rondwandelen. Sommigen geloofden dat alle zielen een lichaam zochten om in te wonen. Zo doofden ze de vuren in hun huizen en staken buiten vuurhaarden aan opdat de rook de geesten zou verjagen.
Hoe die vieringen er
precies uitzagen, is onduidelijk, maar zeker was dat het einde
van het vruchtbare jaar en het begin van de winter werd gevierd.
Na de graan- en fruitoogst werden, voor de aanvang van de
winter, de overtollige dieren geslacht. Reden waarom november in
de oud-Angelsaksische literatuur blodmonath of in het
Middel-Nederlands slachmaent werd genoemd. De laatste vruchten
moesten tegen Sawhain ook geoogst zijn. Alles wat daarna nog aan
de struiken hing, was voor de geesten.
Tijdens de feesten werden vreugdevuren aangestoken. En het was
een periode om de overledenen te herdenken. De dodenherdenking
maakte deel uit van de Keltische vooroudercultus en was daarom
wellicht minder ingetogen dan de moderne dodenherdenkingen. De
Kelten geloofden dat de overledenen vertrokken naar een "andere
wereld" soms een eiland in de zee, soms een ondergrondse
"omgekeerde" wereld. Op Sawhain was de scheiding tussen de 2
werelden dun en konden de geesten van de voorouders
uitzonderlijk in onze wereld binnendringen om zich te warmen aan
de vuren van hun nakomelingen.
Deze heidense novembervieringen bleven in onze streken lang
doorleven en zouden worden gerecupereerd door het vroege
Europese christendom. Ook de christenen hadden hun
Godenherdenkingen. Ze herdachten geen geesten, maar heiligen. Er
waren er echter zoveel dat er niet voor elke heilige een
speciale dag kon worden gereserveerd. Daarom werd sinds de
zevende eeuw een gezamenlijke gedenkdag georganiseerd voor de
gemeenschap der heiligen. Die dag verschilde in heel Europa maar
werd meestal ergens in de lente gevierd. Het zou onder invloed
van de Ierse kerk zijn die de heidense gebruiken wilde
verdringen, dat Allerheiligen in de negende eeuw verplaatst werd
naar november. Allerzielen onderging hetzelfde lot. Dat was een
gebedsdienst voor de zielen van de overledenen die populair werd
aan Franse abdijkloosters en zo uitgroeide tot een aparte
feestdag. Die vond ook plaats in de lente en werd om dezelfde
redenen verplaatst naar november.
De vooravond van Allerheiligen werd in het Engels All Hallows
Eve genoemd, een naam die verbasterd werd tot Halloween. De
heidense en christelijke dodenherdenkingen smolten zo samen tot
één feest, waarvan de volkse elementen vaak nog verwijzen naar
de heidense gebruiken en de religieuze component christelijk
werd. Dat Halloween zo populair werd in Amerika heeft met de
grote hongersnood in Ierland te maken, stelt Lauvrijs. In de
negentiende eeuw vluchtten miljoenen Ieren naar de Verenigde
Staten. Het waren deze Ierse emigranten die het halloweenfeest
introduceerden in Noord-Amerika.
Heden wordt Halloween in de VS gevierd op 31 oktober en de promoties vangen reeds aan vanaf begin oktober tot de eerste week van november.
Het voedsel dat aan deze speciale dag werd verbonden was : wortelen, appelen, speciale broden … en natuurlijk snoep voor de kinderen !
Het werd een grote commerciële gebeurtenis in Amerika en wordt steeds populairder in de andere delen van de wereld.
Waarom een pompoen ?
De halloweenpompoenen die vandaag her en der opduiken zijn van Amerikaanse oorsprong. De verschillende lichtgeesten die in Europa werden gevierd, maakten gebruik van uitgeholde bieten en rapen. Kinderen sneden ook gezichtjes uit deze wortels en trokken er 's avonds in stoet mee door het dorp. De Ierse immigranten vervingen de Europese knollen in de Verenigde Staten door pompoenen, die daar meer voorkwamen. De naam van de uitgeholde biet komt uit de Angelsaksische folklore : jack-o'-lantern.
1. Wie is Sint Niklaas ?
Het Vaticaan weet het niet
meer.
Het verhaal van Sint-Nicolaas is in de loop der eeuwen zo
veranderd en vervormd, dat zelfs de katholieke kerk begon te
twijfelen aan de status van de Heilige Man. In 1959 nam het
Vaticaan de heiligenlijst nog eens kritisch door en besloot 200
namen te schrappen. En daar zat ook die van onze Sint Nicolaas
bij. Hij was volgens het Vaticaan een samenvoegsel van oude
heidense legenden. Maar heel zeker van hun zaak zijn ze niet in
Rome. Want in 1970 verklaarde Paus Paulus VI : "Hij mag vereerd
worden, maar het hoeft niet meer.
Het personage van Sint Niklaas is geïnspireerd door Nicolas de Myre, ook Nicolas de Bari genaamd. Hij werd geboren in Patara, een wijk van Lycie, in het zuid-westen van Klein-Azië.
Zijn leven en handelingen zijn omgeven door legenden. Men zegt dat hij op de dag van zijn geboorte rechtop stond in het bad. Wanneer hij volwassen werd, vermeed hij oorden van ontspanning en verkoos hij kerken te bezoeken.
Sint-Nicolaas ondernam een pelgrimstocht naar Egypte en Palestina. Bij zijn terugkeer stierf zijn oom, de bisschop van Myre. Een kleine stem gaf het bevel aan de bisschoppen die bijeengekomen waren om zijn opvolger aan te duiden, om diegene die als eerste de kerk binnenkwam en zich Nicolaas noemde, te verkiezen.
In het begin heeft hij
veel geleden omwille van zijn christelijke overtuiging, daar de
regerende Keizer, Diocletianus, de christenen op gruwelijke
wijze vervolgde.
Hij werd aangehouden en gevangengenomen, en werd een zekere tijd
verbannen.
In 313, zou Keizer Constantijn de religieuze vrijheid herstellen. Hij zou aanwezig geweest zijn op het concilie van Nicée. Maar er bestond twijfel omtrent zijn aanwezigheid, daar zijn naam niet vermeld was in de oude lijst van de aanwezige bisschoppen.
Sint-Nicolaas zou
gestorven zijn op 6 december 343, als slachtoffer van
vervolgingen onder het Romeinse Keizerrijk. Om deze reden viert
men het feest van Sint-Nicolaas o 6 december. Hij werd begraven
in Myre. In 1087, hebben Italiaanse handelaars zijn gebeente
gestolen in Myre en naar Bari overgebracht.
De traditionele legendes omtrent Sint-Nicolaas werden voor het
eerst verzameld en neergeschreven in Griekenland door
waarzeggers, in de 10e eeuw.
De legende van Sint-Nicolaas beweert dat de Heilige drie kleine kinderen, die onderdak zochten bij een slager, uit de dood heeft doen herrijzen.
De slager had de kinderen
opgevangen en tijdens hun slaap in stukken gesneden en in een
vleeskuip gestoken.
Zeven jaar later heeft Sint-Nicolaas die daar voorbijkwam, aan
de slager gevraagd om hem het zeven jaar oude pekelvlees te
bedienen.
De slager was geterroriseerd en vluchtte weg. Sint-Nicolaas riep
de kinderen opnieuw tot leven.

Waarom als beschermer van
de huwbare jeugd? (snoepjes gooien en gouden bollen)
Sint-Nicolaas, wellicht weeral op stap in zijn stad, gooide geld
in het huis van een gezin met nette maar arme dochters. De
meisjes werden dankzij de Sint gered van de prostitutie. Ze
hadden nu een bruidsschat en ze konden dus fatsoenlijk trouwen.
Het (in)gooien van snoepjes (pepernoten, snoepgoed en gouden
chocoladegeld) vindt zijn oorsprong in dit verhaal. Het is
bovendien de reden waarom de Sint soms afgebeeld wordt met drie
gouden bollen. Een andere verwijzing: "goedheiligman" : het komt
van "goet-hylik man", wat "goed-huwelijks man" betekent, d.w.z.
de man die zorgt voor een goed huwelijk.
Een leraar gaf de Sint een gezicht.
Een verhaal wordt vaak pas echt populair als de hoofdpersonen een gezicht krijgen. Van alle illustraties die er van sinterklaas zijn gemaakt, hadden die uit de boeken van Jan Schenkman de grootste invloed op ons huidige sinterklaasfeest. Deze Amsterdamse schoolmeester maakte rond 1845 het eerste sinterklaasboek waarin zowel de goedheilige man als zwarte piet waren afgebeeld. Het boek, dat bestaat uit prenten met twaalfregel gedichtjes, verscheen meer dan een eeuw lang in herdruk : een bestseller van de bovenste plank dus. Schenkman was ook degene die bedacht dat sinterklaas met zijn paard over de daken liep en dat hij arriveerde met een stoomboot, destijds een modern vervoermiddel. Waar die boot vandaan kwam? Uit Spanje, vond Schenkman. En waarom juist Spanje ? Misschien omdat Bari (Italië), waar het graf van "een" Sint-Nicolaas zich bevindt, enige tijd Spaans bezit is geweest. Maar bij het vertellen van de sinterklaasverhalen is de fantasie altijd belangrijker geweest dan de exacte geschiedschrijving. Het zou dus goed kunnen zijn dat Schenkman alles gewoon heeft verzonnen.
2. Zwarte Piet.
Sint-Nicolaas is vergezeld van een ongeletterd personage met zwart gezicht en die een stok draagt.
In het oosten van Frankrijk is hij gekend als "Père Fouettard", die de kleine kinderen die niet braaf zijn geweest tijdens het jaar, met zijn stok slaat.
Het is slechts in de XVIe eeuw dat men begon te spreken over Zwarte Piet.
Wie is hij ?
Eén van de legendes zegt dat Zwarte Piet geboren is in Metz in 1552, tijdens de bezetting van de stad door de troepen van Keizer Karel.
De bewoners sleurden de beeltenis van de Keizer door de straten en staken het daarna in brand.
Zo zegt men dat Zwarte Piet, Keizer Karel was.
Een andere
verklaring zou de volgende kunnen zijn :
Vermoedelijk deed Piet in het begin van de negentiende eeuw zijn
intrede in de folklore van de Lage Landen. Vóór die tijd trad
Sint-Nicolaas alleen op, of werd hij begeleid door de duivel.
Tussen een duivel en een Moor bestond in het bewustzijn van de
Europeanen weinig verschil. Naarmate de traditie dat de Sint
afkomstig zou zijn uit het voormalige Morenland Spanje,
populairder werd, evolueerde de knecht tot een Moor.
Tot ver in de tweede helft van de twintigste eeuw was Piet, in
lijn met koloniale tradities, een niet zo slimme helper die zich
van een brabbeltaaltje bediende. Toen immigratie vanuit de
voormalige koloniën ervoor zorgde dat Europeanen beter vertrouwd
raakten met Afrikanen, ontwikkelde Piet zich tot een
respectabele assistent van een vaak verstrooide Sinterklaas.
Piet is minder dom geworden, maar dat wil niet zeggen dat de
Zwarte Piet traditie onomstreden is. Velen nemen nog steeds
aanstoot aan het vermeend racistische karakter van de traditie.
Voor velen is Zwarte Piet een vrolijke kindervriend die zwart is
van het roet in de schoorstenen. Echter, de schoorsteen
verklaart niet hoe Piet aan grove stereotypen zoals rode
lippenstift en kroeshaar is gekomen.
Volgens een andere theorie was Piet oorspronkelijk een
Italiaanse schoorsteenveger. Italiaanse jongetjes deden lange
tijd hier dienst als schoorsteenvegers; ze kropen door de
rookkanalen voor hun werk, vandaar de roe om de schoorsteen
schoon te maken en de zak om het bijeengeveegde roet in te
verzamelen.
3. Hoe is men van Sint-Nicolaas
overgegaan naar de Kerstman ?
Na de protestantse hervorming in de XVIe eeuw, werd het feest van Sint-Nicolaas in bepaalde Europese landen afgeschaft.
De Hollanders hebben
nochtans deze oude katholieke gewoonte behouden.
Zodoende kregen de kleine Nederlanders nog steeds het bezoek van
Sinterklaas in de nacht van 6 december.
Bij het begin van XVIIe eeuw, emigreerden de Hollanders naar de Verenigde Staten en stichtten daar een kolonie "Nieuw Amsterdam" genaamd dat in 1664, New York werd. In enkele decennia verspreidde zich deze Nederlandse gewoonte om Sint-Nicolaas te vieren, in de Verenigde Staten. Voor de Amerikanen werd Sinter Klaas algauw Santa Claus.
Deze weldoener,
voorgesteld als ouderling met witte baard en die een lange
mantel droeg met kap of soms ook bisschoppelijke kleren, bleef
nochtans een zedenkundig personage.
Hij compenseerde de verdienstelijke kinderen en strafte de
stoute en losbandige kinderen.
In 1809, sprak de
schrijver, Washington Irving, voor het eerst over de
verplaatsingen in de lucht van Sint-Nicolaas voor de
traditionele bedeling van geschenken.
Nadien in 1821: schreef een Amerikaanse Dominee, Clément Clarke
Moore, een Kerstverhaal voor de kinderen waarin een sympathiek
personage opdook, de Kerstman, in een slede getrokken door 8
rendieren.
Hij was mollig, joviaal en
glimlachend, de mijter van Sint-Nicolaas werd vervangen door een
muts, zijn staf door een gerstesuikerstok en zonder Zwarte Piet.
De ezel werd vervangen door 8 rendieren.
Het is vooral aan de Amerikaanse pers te danken dat de
verschillende personages die geschenken uitdeelden,
samengebracht werden in één en dezelfde persoon.
De gebeurtenis die zeker het meest heeft bijgedragen tot de éénmaking van alle personages, is zonder twijfel het befaamde gedicht van Clement Clarke Moore: genaamd "A visit from St. Nicholas". Dit gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in de krant "Sentinel" van New York, op 23 december 1823. Dit gedicht dat in de daaropvolgende jaren door verschillende grote Amerikaanse weekbladen werd opgenomen, werd nadien in verschillende talen vertaald en over de hele wereld verspreid.
In 1860 kleedde Thomas Nast, illustrator en karikaturist, tewerkgesteld bij de krant New-Yorkais, "Harper's Illustrated Weekly", Santa-Claus aan met een rood kostuum, versierd met witte pels en met een brede lederen ceintuur. Gedurende ongeveer 30 jaar, belichtte Thomas Nast aan de hand van honderden tekeningen alle aspecten van de legende van Santa Claus, gekend bij de Franstaligen als "père Noël" (Kerstman).
In 1885, was volgens Nast de officiële residentie van de Kerstman aan de Noordpool gelegen, hij illustreerde dit door middel van een tekening waarop twee kinderen waren afgebeeld die op een wereldkaart keken naar zijn parcours van de Noordpool tot de Verenigde Staten.
Het volgende jaar, nam de Amerikaanse schrijver George P. Webster, dit idee over en beweerde hij dat het speelgoed gemaakt en bewaard werd gedurende de lange zomermaanden in de sneeuw en het ijs van de Noordpool.
Kerstmis en zijn mysteries
Kerstmis is niet alleen
voor de Christenen een feest van vreugde en hoop. Voor alle
mensen van goede wil van onze westerse wereld is de geboorte van
Christus een belangrijke datum in de geschiedenis : het begin
van het christelijke tijdperk, chronologische basis van alle
opeenvolgende evenementen sinds twintig eeuwen.
Nochtans beweren sommige specialisten dat de geleerden van IVe
eeuw lichtzinnig de geboorte van het kindje Jezus bepaald hebben
in het jaar 753 van de Oprichting van Rome. Het volstaat,
beweren ze, even na te denken : vandaag weten we met zekerheid
dat Herodus gestorven is in de lente van 750. Wanneer deze
monarch bevel gaf tot "doding van de onschuldigen", was Jezus
ongetwijfeld reeds enkele maanden oud. Hieruit besluiten we dat
Jezus geboren is ten laatste op het einde van het jaar 749 van
Rome.
Het zou daarom logisch zijn te denken dat onze klokken eventjes
4 jaar achterlopen……
Waarom 25 december ?
Het is slechts in het midden van de IVe eeuw (hij nog altijd!) dat de viering van Kerstmis een officieel feest werd in de liturgische kalender. Vroeger situeerde de Kerk de geboorte van Christus, hetzij op 6 januari, hetzij op 18 april. Bij gebrek aan nauwkeurigheid hieromtrent werd er uiteindelijk geopteerd voor 25 december. De vooravond werd Midwinter genoemd, de datum waarop de dagen begonnen te lengen. Geen enkele andere datum kon beter de komst van de "God van het Licht" symboliseren, overwinnaar van de duisternis der zonden, een God die oprees zoals de zon, om de volledige aarde met hoop te verlichten.
Ten andere, ons huidig "oudejaarsavond" feest is slechts een voortzetting van de heidense Saturnusfeesten, een soort carnaval met grote banketten die de oude Romeinen van 17 tot 23 december opdroegen aan hun God Saturnus.
Kerstmis of Geboorte ?
De naam Kerstmis om het
feest van de Geboorte aan te duiden, schijnt slechts 5 eeuwen na
de gebeurtenis gebruikelijk te zijn.
Na zijn bekering tengevolge van zijn overwinning in Tolbiac in
490, werd Koning Clovis in Reims gedoopt door de Heilige Remius,
in aanwezigheid van 3.000 krijgers, precies op 25 december. Op
die dag kwam de Frankische natie tot stand in de Christelijke
beschaving. De soldaten vierden deze merkwaardige gebeurtenis
door een krachtige kreet "Kerstmis" ! hetgeen "dies natalis"
"dag van de geboorte".
Het is voortaan deze naam "Kerstmis" die verbonden bleef met
deze bewuste datum.
De kribbe
Het nabootsen van de
kleine stal met zijn personages en zijn dieren in hout of
plaaster was het werk van de Heilige Franciscus van Assisië, de
grote dierenvriend, maar de Kerstboom was een gebruik dat
teruggaat tot XIVe eeuw en heeft een minder orthodoxe oorsprong.
Waarom een Kerstboom ?
Het is een overblijfsel
van de Heidense feesten van het licht.
Wanneer de herdertjes zich rond de kribbe schaarden waar,
volgens de legende, Jezus Christus geboren werd, was er geen
enkele den te bespeuren aan de horizon.
De dennen en sparren zijn niet erg typisch voor de vegetatie van
het dorre gebied van Israël en van het huidige Palestina. De
traditie om thuis een groene boom te plaatsen ter gelegenheid
van Kerstmis vindt zijn oorsprong dus elders.
In de periode van de christianisatie van Europa werd de geboorte van Jezus - waarvan de exacte datum onbekend is tot op heden - gevierd wanneer in Noord Europa Midwinter gevierd werd, en in Zuid-Europa vierde men de geboorte van de Zonnegod Mithras.
Deze winterfeesten vierden
de overwinning van het licht op de duisternis, Sol Invictus, de
onoverwonnen zon. In Noord-Europa vierden de Germanen de
overwinning van het leven bij het afsterven van de winter, door
hun woningen te versieren met groenblijvende planten zoals de
maretak, de hulst, de jeneverbessenstruik en de klimop.
De traditie die erin bestond om Kerstkronen te maken met hun
takken is dus een overblijfsel van de Germanen.
De eerste missionarissen, zoals Willibrordus en Boniface hebben getracht een einde te stellen aan deze bomenverafgoding, maar zij zijn hierin niet helemaal geslaagd. Sommige Heidense tradities werden overgenomen door de Christenen.
Zij hingen bijvoorbeeld
kleine Maria kapelletjes aan de Kerstbomen. De vieringen van de
bomen gedurende de Midwinter periode deden terug hun intrede in
de Renaissance. De eerste reproductie van een Kerstboom werd in
Duitsland teruggevonden. Het ging hier over een schilderij op
perkament daterende uit de 16e eeuw, waar men kan zien hoe de
boom naar de marktplaats in het dorp wordt overgebracht
geëscorteerd door doedelzakblazers en een ruiter, die een
Pauselijke kroon droeg. Men weet niet precies waarom men
naaldbomen verkoos, maar een mogelijke verklaring is van
praktische aard.
Eikenbomen waren zeldzamer, dennenbomen kwamen veelvuldig voor
in Duitsland, zij konden dus gemakkelijk afgekapt en vervoerd
worden.
In die tijd was het versieren van de Kerstboom met bollen reeds
in de mode.
Voordien waren de bollen late appels die nog steeds aan de
appelbomen hingen en die deden denken aan het Aartsparadijs.
De Kerstboom heeft een toenemend succes gekend in Europa in 1837 wanneer Helena van Mecklenburg, de Duitse echtgenote van de Hertog van Orléans er een deed plaatsen in de Tuileries in Parijs. Prins Albert van Saxen Coburg Gotha, gehuwd met Koningin Victoria van Engeland heeft op zijn beurt de Kerstboom op de Britse Eilanden geïntroduceerd.
7. Driekoningen, wie waren zij ?
De bijbel maakt nergens gewag van de "drie koningen" Caspar, Melchior en Balthasar, enkel van "wijzen uit het Oosten" en gaf hen zeker geen namen. Dat belette niet dat rond de Drie Koningen een ware cultus ontstond.
Processies en
mysteriespelen in de kerk herdachten de gulle gaven in mirre,
wierook en goud. Op 6 januari deelden kloosterlingen brood uit
aan de armen.
Professor in de volkskunde Stefaan Top (KU Leuven) situeert het
ontstaan van het Driekoningenzingen in onze streken in de
vijftiende, zestiende eeuw. Toen mocht het Kerstfeest niet
langer met gezangen en een feestmaaltijd in de kerk gevierd
worden. Verstoken van gratis eten en drank, trokken de
sukkelaars dan maar noodgedwongen de straat op.
Driekoningen was
eeuwenlang het feest van de armen. Zingend van deur tot deur,
scharrelden ze iets eetbaars, en liever nog geld, bij mekaar.
Want de drie wijzen uit het Oosten bedachten het pasgeboren
Jezus kind tenslotte ook met geschenken. Bedelzingen mocht van
Kerstmis tot de dertiende dag die er op volgde : 6 januari.
De gelegenheidszangers verkleedden zich om niet herkend te
worden, weet Herman Dewit van volkskunstgroep 't Kliekske te
vertellen die speurwerk rond Driekoningen verrichtte. Sommigen
zetten zelfs een masker of een mom op.
Een draaiende ster
behoorde steevast tot de attributen van de zingende koningen.
Sommigen trokken ook met een hobbelpaard of zelfs met een beer
rond. Een met een varkensblaas overtrokken pot, bekend als
rommelpot, of een uit een klomp gesneden hanske knap,
begeleidden het gezang. "Erg muzikaal klink het wellicht niet",
grapt Dewit, "maar dat was slechts bijzaak. Het maakte veel
lawaai en de bedelzingers wilden vooral opvallen, om in zo kort
mogelijke tijd zoveel mogelijk geld vergaren".
Toen er niet meer zo'n grote armoede heerste, kreeg het zingen
met Driekoningen een filantropisch tintje. Groepjes volwassenen
zongen niet langer voor zichzelf maar voor het goede doel. De
missies bijvoorbeeld. Een gebruik dat tot vandaag in sommige
regio's zoals de Dendersteek, in ere wordt gehouden. Maar elders
namen de kinderen de fakkel of liever de ster over.
Driekoningen is niet alleen synoniem voor bedelzingen aan de
deur. Zonder taart of pannenkoeken is het feest niet compleet.
Wie de in het gebak verstopte boon heeft, is even koning en mag
een papieren kroon op het hoofd zetten. Ook deze traditie is
eeuwenoud. Onze voorouders grabbelden in een zak met
houtensnijwerkjes met daarop de beeltenis van de koning en zijn
hof.
Zo werden de rollen verdeeld voor een groot spel.Hofnar,
koningin, muzikant of soldaat. De koning besliste soeverein wie
in welke huid kroop. Hij was heer en meester. Dronk hij, dan
moest het hele gezelschap zijn voorbeeld volgen.
Volgens Gentse bakker Bart is het frangipaneachtige gebak dat
met Driekoningen te koop is uit het Franse dorpje Pithivier
afkomstig. Het verhaal wil dat Koning Karel IV, na een bezoek
aan zijn vriendin Madame Marie Touchet, door een bende Hugenoten
in het bos van Orléans gevangen genomen werd.
Toen de snoodaards hun vergissing inzagen, probeerden ze de
koning gunstig te stemmen door hem een plaatselijke delicatesse
voor te schotelen. De paté in bladerdeeg beviel de vorst dermate
dat hij de pasteibakker die het recept bedacht prompt tot
koninklijke patissier uitriep. De vleesvulling werd later door
amandelcrème vervangen.
8. Maria-Lichtmis, oorsprong en tradities.
Maria-Lichtmis dat sedert 472 in de kalender van de christelijke feesten werd opgenomen, wordt ieder jaar op 2 februari gevierd. Het dankt zijn naam aan "kandelaars" of gewijde kaarsen die men tijdens de processie droeg ter ere van de "Opdracht van Jezus in de Tempel" en de zuivering van de Maagd Maria. De pelgrims die zich naar Rome haastten voor deze gelegenheid zetten de Paus ertoe aan om hostiebrood of galetten uit te delen.
Maar vooraleer het een
feest was ter ere van Maria, was Lichtmis een Heidens feest en
werd het ook het " Feest van het Licht " genoemd.
Bij de Romeinen vierde men rond 15 februari Lupercus, God van de
vruchtbaarheid en de veestapel.
Bij de Kelten vierde men op 1 februari het Imbolcfeest. Dit ritueel ter ere van de Godin Brigid, stond in het teken van de zuivering en de vruchtbaarheid bij het einde van de winter. De boeren droegen toortsen in een processie over de velden, biddend voor de Godin om de aarde te zuiveren vóór het zaaien.
In de Ve eeuw associeerde Paus Gelasius I dit Heidens ritueel van "Het feest van de Kandelaars" met "de Opdracht van Jezus in de Tempel" en met de "Zuivering van de Maagd Maria".
Daarom werden voor dit "Feest van het Licht", kaarsen aangestoken in het ganse huis en bracht men gewijde kaarsen mee naar huis om zich te beschermen en te waken over de komende oogst. Het voortbestaan van een aloude mythe die betrekking heeft op het zonnenrad, verklaarde ook het gebruik van het bakken van pannenkoeken in die periode (of ronde beignets, in het zuiden van Frankrijk).
Men treft verschillende
soorten galetten of pannenkoeken aan in alle beschavingen van de
Oude en Nieuwe wereld, zowel gemaakt van tarwebloem, rijst, maïs
of andere granen.
In de XIIe eeuw brachten de Kruisvaarders boekweit mee. Deze
bloemrijke graansoort vond in de zurige grond van Bretagne een
gunstige bodem voor zijn ontwikkeling.
Nochtans moest men nog meer dan een eeuw wachten vooraleer de
tot bloem fijngemalen boekweit gebruikt werd in de bereiding van
de galetten. In het begin van de eeuw verscheen de bloem
(tarwebloem) en voegde men melk bij de bereiding van het deeg.
De galet werd de pannenkoek.
De boekweit galetten (zwarte tarwebloem) worden heden ten dage
meestal gebruikt met hartig beleg, terwijl pannenkoeken als
dessert worden opgediend